Uit een preek van de Heilige Augustinus, bisschop van Hippo.
Heden is onze Heer Jesus Christus ten hemel opgestegen. Laat ook ons hart met Hem opstijgen.
Luisteren
wij naar de Apostel die zegt: ‘Als gij met Christus verrezen zijt,
zoekt dan wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand
Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse’ (Kol. 3, 1-2). Hij is
opgestegen, maar niet van ons heengegaan. Zo zijn ook wij al daar met
Hem, terwijl in ons lichaam nog niet gebeurd is wat ons beloofd wordt.
Hij
is al boven de hemelen verheven, maar toch ondergaat Hij op aarde al
het lijden dat wij als zijn ledematen te verduren hebben. Hiervan
getuigde Hij toen Hij vanuit de hemel riep: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt
gij Mij?’ (Hand. 9, 4), en eveneens met de woorden: ‘Ik had honger, en
gij hebt Mij te eten gegeven’ (Mt. 25, 35).
Waarom
doen ook wij niet zó ons best op aarde, dat wij door geloof, hoop en
liefde, waardoor wij met Hem verbonden zijn, ook reeds met Hem van de
rust genieten in de hemel? Hoewel Hij daar is, is Hij ook met ons, en
terwijl wij hier zijn, zijn wij ook met Hem. Hij is met ons door zijn
godheid, zijn macht en zijn liefde. Wij kunnen niet bij Hem aanwezig
zijn door de godheid zoals Hij bij ons, maar wij kunnen het door de
liefde, door de liefde tot Hem.
Hij
verliet de hemel niet toen Hij vandaar naar ons afdaalde, Hij verliet
ons niet toen Hij weer naar de hemel opsteeg. Want dat Hij daar was,
terwijl Hij toch bij ons was, dat getuigt Hijzelf. ‘Nooit is er iemand
naar de hemel opgeklommen,’ zegt Hij, ‘tenzij Hij die uit de hemel is
neergedaald, de Mensenzoon die in de hemel is’, (Joh. 3, 13). Hij zei
niet: de Mensenzoon die in de hemel zal zijn, maar die in de hemel is.
Dit
is gezegd vanwege de eenheid tussen Hem en ons, omdat Hij ons hoofd is
en wij zijn lichaam zijn. Niemand anders dan Hij is naar de hemel
opgestegen dan Hij die uit de hemel neergedaald is. Maar vergeet niet
dat met ‘Hij’ ook wij bedoeld zijn, overeenkomstig het feit dat Hij de
Mensenzoon is omwille van ons en dat wij kinderen van God zijn omwille
van Hem.
Zo immers zegt de Apostel het: ‘Zoals het menselijk lichaam
met zijn vele ledematen één geheel vormt; en alle ledematen, hoe vele
ook, één lichaam zijn, zo ook de Christus’ (1 Kor. 12, 12). Hij zegt
niet: ‘Zo is het ook met de Christus’, maar hij zegt: ‘Zo ook de
Christus.’ Christus is dus vele ledematen, één lichaam. Hij daalde
derhalve af uit de hemel uit medelijden, en niemand steeg op dan Hij
alleen, terwijl ook wij in Hem opstegen door de genade.
En
om deze reden is er niemand afgedaald dan Christus, en niemand
opgestegen dan Christus: dit betekent niet dat de waardigheid van het
hoofd mag gelijkgesteld worden met zijn lichaam, maar wel dat de eenheid
van het lichaam niet mag gescheiden worden van het Hoofd.
Bron: Lezingendienst Hemelvaartsdag, Nederlands Getijdengebed.