De gebeurtenissen tijdens het laatste paasmaal.
Dierbaren,
op duidelijke wijze moest vervuld worden wat reeds lang tevoren door
een voorafbeelding van het mysterie was beloofd: het ware Lam moest de
plaats innemen van het zinnebeeldig lam, en één enkel offer zou een
einde maken aan de veelheid en verscheidenheid van slachtoffers. Want
alle voorschriften, van Godswege door Mozes gegeven betreffende het
slachten van het paaslam, waren voorzeggingen over Christus en, in het
bijzonder, aankondigingen van zijn offerdood. De schaduw moet echter
wijken voor de werkelijkheid, de beelden moeten verdwijnen voor de
waarheid. Daarom wordt het oude godsdienstige gebruik vervangen door een
nieuw sacrament; daarom komt een nieuw offerlam in de plaats van het
oude, en maakt het bloed van dit lam het bloed van het andere overbodig.
Zo vindt het paasfeest van de oude wet in zijn verandering zijn ware
vervulling.
Jesus maakt een einde aan het oude
verbond en Hij stelt een nieuw Pasen in. Hij gaat met zijn leerlingen
aan tafel om het mysterievolle avondmaal te houden. Terwijl in de
voorhof van Kajafas wordt besproken hoe men aan Christus de hand zal
kunnen slaan, stelt de Heer het sacrament van zijn Lichaam en Bloed in.
Zo leerde Hij hun welk offer aan God moest worden opgedragen. Zelfs van
dit mysterie weerde Hij de verrader niet. Aldus was er voor Judas geen
reden om verbitterd te zijn over onrechtvaardige behandeling, terwijl
Jesus toch zijn boze bedoelingen op voorhand kende. Zelf was Judas de
oorzaak van zijn ondergang en de reden van zijn ontrouw: hij volgde de
duivel als zijn gids en weigerde Christus als zijn leidsman. Door te
verklaren: ‘Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij overleveren’ (Mt. 26, 21)
toonde de Heer dat Hij wist wat er in zijn verrader omging. Hij wilde
hem evenwel niet door een ruwe en openlijke terechtwijzing te schande
maken, maar Hij richtte zich tot hem met een milde en stilzwijgende
vermaning. Hiermee wilde Hij bereiken dat Judas, zonder de schande van
een vernedering, door berouw gemakkelijker op de rechte weg zou kunnen
terugkeren.
Waarom, ongelukkige, blijf je
ongevoelig voor zo’n grote lankmoedigheid? Zie, de Heer straft je niet
voor je vermetelheid. Christus maakt je aan niemand, tenzij aan jezelf
bekend; noch je naam noch je persoon wordt onthuld, maar alleen je hart
met zijn geheimen wordt geraakt door zijn woord van waarheid en
barmhartigheid. Noch de eer van het apostelschap noch de deelname aan de
heilige tekenen wordt je ontzegd. Keer terug van je misstap, bekoel van
je uitzinnigheid en kom tot bezinning. De zachtmoedigheid in eigen
persoon nodigt je uit, het heil klopt bij je aan, het Leven roept je
terug tot het leven.
Toen de Heer aan zijn
verrader het ingedoopte brood had toegereikt en hem aldus duidelijker
dan tevoren had aangewezen, maakte de duivel zich geheel en al meester
van Judas. Door hem slechte gedachten in te geven, had de boze hem reeds
aan zich gebonden, maar nu raakte de leerling volledig in zijn macht
door het begaan van de misdaad. Want Judas was slechts lichamelijk
aanwezig bij zijn disgenoten, maar met zijn geest bereidde hij het
optreden voor van afgunstige priesters, valse getuigen en van een
opgeruide argeloze menigte. Tenslotte sprak de Heer, toen Hij gezien had
op welke schanddaad Judas bedacht was: ‘Wat gij te doen hebt, doe dat
spoedig’ (Joh. 13, 27). Dit woord komt niet van iemand die
beveelt, maar van iemand die zwijgt en niet bang is, maar bereid. Hier
spreekt Hij die Heer is over alle tijden: Hij houdt de verrader niet
tegen, Hij doet de wil van zijn Vader voor de verlossing van de wereld,
zonder de misdaad van zijn vervolgers uit te lokken of te vrezen.
Maar
Judas laat zich door de duivel overhalen. Hij gaat van Christus weg en
verbreekt de gemeenschap met de apostelen. Wat de Heer hierna doet, is
niet ingegeven door angstige vrees, maar alleen door bezorgdheid voor
het heil van hen die Hij zal verlossen. De tijd die Hem nog rest vóór de
aanslag van zijn vervolgers, gebruikt Hij geheel, zoals uit het
evangelie van Johannes blijkt, voor diepzinnige gesprekken en voor
onderricht in zijn leer. Tenslotte slaat Hij zijn ogen ten hemel en bidt
Hij de Vader voor de gehele Kerk. Hij vraagt dat allen die door de
Vader aan de Zoon gegeven zijn of zullen worden, één mogen zijn en
onverdeeld blijven, verenigd in de heerlijkheid van de Verlosser.
Bron: Nederlands Getijdengebed, Lezingendienst Witte Donderdag.
Post Scriptum: De Kerk heeft zich nooit uitgesproken over het lot van Judas Iskariot die de Heer verraden heeft. Uit de H.Schrift weten we echter wel, dat er teksten zijn die nou niet bepaald een goed einde voorspelden voor Judas. In het Evangelie naar Johannes hoofdstuk 6 vers 70(71) zegt de Heer: "Heb Ik u alle twaalf niet uitverkoren? En toch, één van u is een duivel. Hiermee bedoelde hij Judas, de zoon van Simon Iskariot. Want deze van de twaalf, zou Hem verraden". De Heer noemt Judas nu een duivel en ook in de preek van Paus Leo de Grote komt dit naar voren. Zou een duivel soms in de Hemel kunnen worden opgenomen? Het antwoord is natuurlijk nee. Daar is namelijk (helaas) een andere plaats voor.
Verder denk ik dat het niet alleen Judas was die de Heer zou verraden, maar dat er vele Judassen, vele verraders in de eeuwen daarna zouden opstaan die het zelfde zouden doen. Hoeveel leden van het Mystieke Lichaam van Christus zijn niet in de loop der eeuwen verraden, uitgeleverd om mishandeld te worden en gedood? De boeken van de Martelaren staan er vol van.
Uit de Traditio en de Schrift weten we dat niet alleen de H.Eucharistie, maar ook op Witte Donderdag het H.Priesterschap door Christus is ingesteld. Uit de brieven van de vroegere Pausen weten we dat de Heer de Apostelen ook de H.Oliën heeft leren bereiden. Deze H.Oliën worden gebruikt bij de wijding van Priesters, bij het H.Doopsel, de zalving in het H.Vormsel en de Ziekenzalving.
