Op de dertiende zondag na Pinksteren, vragen wij God ons in bekoringen en de noden van deze wereld bij te staan op grond van het Verbond, dat Hij met de gedoopten - de schapen van zijn weide - heeft gesloten (Introïtus, Graduale). Wij vragen in het bijzonder om liefde tot de Geboden, opdat wij deze onderhouden en niet als een drukkende last zullen beschouwen, maar een vreugdevolle dienst in vrijheid. Het Evangelie verhaalt ons van de tien melaatsen die werden gereinigd, en hoe er slechts één terugkwam om de Heer te bedanken. Ook in deze zondag bezingen wij in de Communio het Hemelse Brood van de vreugde, dat wij van het Altaar mogen ontvangen.
De lezing uit de brief van de H.Apostel Paulus aan de Galaten worden de nieuwbekeerde mensen uit Galatië verontrust omdat men hen over wil halen tot het onderhouden van de Joodse Wet, waarop de H.Apostel Paulus zijn beschouwing van het nieuwe heil bekend maakt. De hoofdgedachte is deze: Christus, die de Galaten als de Messias erkennen, werd reeds beloofd aan Abraham. De belofte is dus niet krachtens de oude Wet, welke eerst lange tijd na Abraham werd afgekondigd. De Wet is door God toegevoegd, niet met het oog op de belofte, maar omwille van de overtredingen. Volgens de meeste bijbeluitleggers betekent dit, dat God de Wet uitvaardigde, niet opdat de Joden de Wet zouden overtreden, maar opdat de zwakheid van de mensen en de kracht van Gods ontferming openbaar zouden worden en daardoor het plan van het heil zou worden gediend.
In het Evangelie zijn de tien melaatsen - net zoals wij - vreemdelingen uit de heidenen en door het Heilig Doopsel gereinigd. Laten wij tezamen met de éne melaatse tot Hem gaan en Hem onze dank betuigen door de heilige viering, welke wij dankzegging noemen (Heilige Eucharistie).
Epistel: Galaten 3; 16-22
Evangelie: Lucas 17; 11-19
Laatste Evangelie Johannes 1, 1-14
Liturgische kleur: Groen.
